....  Nieuwe natuur inhoud   ..
. Een historische terugblik   Gerben Poortinga
mail uw scriptie, les of artikel naar www.skrift.nl

Het ontwikkelen en beheren van natuurbossen vereist een terugblik tot in een ver verleden. Lang heeft het natuurbeheer bestaan uit het conserveren van de bestaande situatie. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat in de tijd dat de natuurbeschermingsgedachte vaste voet kreeg, de voormannen zoals Heijmans en Thijsse zich sterk bewust waren van de kwaliteit van de resterende natuur. Ze waren bovendien erg bezorgd over de achteruitgang van de schoonheid van de eigen omgeving. Dit resulteerde onder andere in de oprichting van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland en de provinciale Landschappen. De eerste prioriteit van deze verenigingen heeft altijd gelegen in de aankoop en het behoud van de waardevolste elementen van de verdwijnende half natuurlijke landschappen. I)e juweeltjes van de Nederlandse natuur werden aangekocht zoals men de krenten uit de pap vist. Hoewel de bossen in Nederland voornamelijk jonge ontginningsbossen zijn, werd ook veel bos aangekocht, dat voornamelijk als productiebos werd geŽxploiteerd en volgens moderne bosbouwmethoden wordt beheerd. Eigenlijk is het natuurbehoud in Nederland gebaseerd op het sparen van de enkele bijzondere elementen; tegelijkertijd wordt de natuurlijke kwaliteit van het omringende Het echte oerbos is al Lang uit Nederland en West Europa verdwenen. Zo ongeveer moet het laatste restant,het Beekberger Woud, er uit hebben gezien: een moerasbos met dikke elzen en eiken en een weelde aan voorjaarsbloemen - hier moeraspinksterbloem en witte klaverzuring. landbouwkundig of anderszins geŽxploiteerde landschap ingeleverd. Inmiddels is bekend dat de situatie rond 1900, maar evenmin rond 1300 of eerder, al lang niet meer optimaal was, en dat geldt vooral voor bossen. Het behoud van slechts enkele delen van het landschap met een natuurlijke restwaarde is daarom alleen een eerste stap. Immers, voor 1900 was het laatste stukje Nederlands oerbos,het Beekberger Woud, gekapt. Belangrijke bosdieren zoals wilde paarden en oerossen waren al ver voor het einde van de middeleeuwen uit ons land verdwenen en ook de eland leefde hier niet meer toen de nieuwe tijd begon. Het is zelfs aannemelijk dat de mens al direct na de laatste ijstijd een belemmerende invloed uitoefende op de terug keer van het loofbos. I)oor de invloed van de menselijke landbouw, veeteelt en bosexploitatie waren de bossen op de droge en makkelijk te ontginnen gronden voor een groot deel zeker al lang voor Christus' geboorte verdwenen. Om de tegenwoordige situatie goed te kunnen beoordelen moet men daarom verder in het verleden kijken dan het jaar 1900. Men moet zich niet alleen verdiepen in de cultuurhistorische situatie van het landschap op een bepaald moment, maar in de oorspronkelijke natuur waaruit de huidige natuurlandschappen zijn ontstaan. Men moet zich verdiepen in de ontstaansgeschiedenis van het West Europese loofbos voor, tijdens en na de ijstijden. Uit deze geschiedenis, uit de gemeenschappelijke evolutie van een rijke flora en fauna, blijkt dat de vegetatie van het bos door de schok van de ijstijden in onze streken een deel van zijn soorten heeft 9 verloren. Een deel van de planten en dieren is uitgestorven. Een groot aantal planten kennen we nu als Mediterrane soorten, planten dus van het zachte Middellandse Zee klimaat. Een zeer groot aantal planten die nu in Centraal EuraziŽ, China en Noord-Amerika groeien, hoorden voor de ijstijden ook in onze streken thuis. Hoewel het loofbos na de ijstijden sterk aan planten- en diersoorten verarmd in onze streken terugkeerde, bleef het een goed functionerend ecosysteem dat zichzelf duurzaam in stand kon houden. Een samenhangend geheel van planten en dieren, schimmels en bacteriŽn, groeiers, grazers en verslinders, afgestemd op de mogelijkheden die bodem en klimaat ter plaatse bied en. Ondanks de invloed van het jagen en verzamelen van de prehistorische mens bleef het bos als werkzaam ecosysteem tot na de ijstijden behouden. Daarna richtte echter zesduizend jaar landbouw en bosexploitatie (houtkap, overbeweiding of juist het weren van begrazing)het bos als natuurlijk ecosysteem te gronde. Door het oogsten van hout en waarschijnlijk in mindere mate ook door het verdwijnen van de grote plantenetende dieren word de biologische kringloop doorbroken Bovendien verdween met de natuurlijke verjonging, groei en sterfte en met de begrazing een groot deel van de natuurlijke bosstructuren, waarvan tal van planten en dieren afhankelijk zijn. We komen daarop terug. Van de oppervlakte bos die ons nu nog rest is maar heel weinig niet aangelogd en wordt het hout maar voor een klein deel inde voedselkringloop opgenomen. Evenmin grazen er, althans tot voor kort, grote zoogdieren, uitgezonderd een enkele ree of, op de Veluwe, een hert. In dit hoofdstuk wordt getracht tienduizend jaar bosontwikkeling weer te geven. Dat kan niet meer zijn dan het schetsen van enkele hoofdlijnen. In grote lijnen wordt de ontwikkeling en later de achteruitgang van het bos in onze streken geschetst. Om  het verhaal niet al te ingewikkeld te maken beperken we ons tot vier aspecten. Na de ijstijden is er de bosvorming door de terugkeer van de bomen. Dan volgt het terugdringen van het zich nog ontwikkelende natuurbos door de uitbreiding van landbouw en veeteelt. In de derde plaats worden enkele plaatselijke situaties geschetst om te illustreren hoe het natuurlijke landschap, de bewoning en het landgebruik door de mens op elkaar ingrijpen, waardoor zogenaamde cultuurlandschappen ontstonden. Ten slotte mag een vierde aspect, het verdwijnen van bijna alle grote dieren, niet onbesproken blijven. 

 

De invasie van het bos in Nederland 

Vijftienduizend jaar geleden heerste in Nederland een poolklimaat. Daarna was het aanvankelijk nog te koud om te droog voor bosvorming. In de toendra die het  terugtrekkende ijs achterliet, groeiden wat kleine kruipwilgen en dwergberken. Daar jaagden de mensen uit de oude steentijd met vuurstenen pijlen op rendieren. Eerst zo'n dertien- ŗ tienduizend jaar geleden werd het klimaat wat warmer. Geleidelijk keerde het bos terug uit zuidelijker streken. De eerste spaarzame bossen werden gedomineerd door naaldbomen en berken. Het was een landschap zoals nu in het noorden van ScandinaviŽ, Finland en Rusland is te vinden tot aan de boomgrens. In de taiga, zoals men de uitgestrekte ijle bossen noemt, groeien voornamelijk dennen, berken en kruipwilgen. Deze bomen wortelen in een dunne bodemlaag die in de korte zomers ontdooit en dan verzadigd is met smeltwater. Het water kan niet wegzakken omdat in de permanent bevroren ondergrond alle poriŽn gevuld zijn met ijs. De schaarse ondergroei bestaat voornamelijk uit mossen en korstmossen. Langs de randen en in open delen vinden we groepen wilgen en ratelpopulieren. De invloed die de mens al in deze tijd plaatselijk op het taigabos had, moet met onderschat worden. Immers, de jacht was van grote invloed op de hoeveelheid wilde runderen, edelherten, elanden en andere planteneters in de bossen, en al die dieren vreten aan bomen en struiken. Door bejaging verdwenen de grote grazende dieren plaatselijk en concentreerden zich elders. Hoewel de open bossen van de taiga kleinere aantallen wilde dieren konden voeden dan de weelderige loofbossen uit latere tijden, moet men de aantallen niet onderschatten. Voorzichtige ramingen leren dat het bejaagbare wild dat toen in ons land per vierkante kilometer voorkwam een gezamenlijk gewicht had van gemiddeld 3500 kilogram. Ook het gebruik van vuur ten behoeve van het opdrijven van wild kan in het droge klimaat zijn sporen hebben nagelaten in de bosontwikkeling. Er is bijvoorbeeld een bodemlaag, de Usselo-laag uit de AllerŲdtijd, die bekend is vanwege de grote   hoeveelheden houtskool afkomstig van al dan niet opzettelijke bosbranden uit de periode na de ijstijd. Bij een bevolking van hooguit enkele honderden mensen kan het effect van uit de hand gelopen vuren toch wel aanzienlijk zijn. Omstreeks 8300 voor Christus trad er een aanzienlijke verbetering in het klimaat op. Hoewel het droog bleef steeg de temperatuur en er konden zich uitgestrekte open berken- en dennenbossen vormen. De rendieren waren na het verdwijnen van de laatste resten toendra al definitief richting ScandinaviŽ vertrokken, maar voor tal van grote dieren zoals elanden, runderen, paarden en beren, die al spoedig het terugtrekkende ijs volgden, werden onze streken nu tijdelijk beter bewoonbaar. In deze tijd verspreidde de hazelaar zich snel in West Europa en vanaf nu begon het taigabos geleidelijk plaats te maken voor het bladverliezende loofbos. Omstreeks 6800 jaar voor Christus was het klimaat dermate verbeterd dat de hazelaar volop in ons land groeide en samen met de berk en de den het bosbeeld bepaalde. Ook verschenen geleidelijk steeds meer iepen, eiken, linden, elzen, essen, wilgen en populieren. Het is heel goed mogelijk dat de mens bij de verspreiding een actieve rol heeft gespeeld. Door het branden van het bos zou de hazelaar begunstigd kunnen zijn. Hazelnoten konden ook een belangrijk deel van het menu uitmaken. Op plekken met woonresten uit die tijd heeft men soms overblijfselen van grote bergen notendoppen gevonden. Pas 5500 jaar voor Christus, toen de neerslag was toegenomen, verdwenen de dennenbossen. Ze maakten plaats voor uitgestrekte loofwouden. Het landschap bestond toen uit bossen van wisselende samenstelling met vaak al veel linden of eiken. Moerasgebieden vertoonden alle overgangen van open water naar elzen- en wilgenbroeken en daarnaast waren er, nog op beperkte schaal, echte hoogvenen. Het klimaat was toen zo zacht dat er zelfs moerasschildpadden in ons land voorkwamen. Onder de planten was de maretak, die nu haar meest noordelijke verspreiding in Zuid Limburg heeft (afgezien van enkele vindplaatsen in Stuifmeelonderzoek Tijdens de bloei van de bloemplanten valt een constante regen van stuifmeelkorrels (pollen) op de bodem. Wanneer deze stuifmeelkorrels in het veen vallen worden ze daar geconserveerd. Jaar jaar stuiven de pollen in het groeiende Alle veenlagen vormen als het ware een historische kalender die loopt van het begin van de veenvorming, namelijk de onderste laag, tot het heden of tot het einde van de veenvorming, namelijk de bovenste laag. Wanneer men nu het veen laag na laag onderzoekt kan men aan de soortensamenstelling van de pollen herkennen welke soorten in bepaalde perioden in en rond het veen groeiden. Ook onder grafheuvels blijken de stuifmeelkorrels goed bewaard te zijn. Deze stuifmeelkorrels zijn ook goed te dateren aan de hand van de geschatte ouderdom van de grafheuvel. Midden-Nederland), goed vertegenwoordigd. In dit tijdperk,het Atlanticum, vormden zich op de droge gronden van Brabant en Oost-Nederland indrukwekkende lindenbossen. Hoewel in die bossen ook eiken en andere loofbomen in grote aantallen voorkwamen, bestonden ze plaatselijk al voor meer dan een kwart uit linden, grootbladige en kleinbladige. In die periode moet lindehoning een goede voedselbron zijn geweest. Alleen op de drogere gronden meer naar het noorden nam het aandeel van eiken - wintereiken en zomereiken - sterk toe. In deze tijd werden de bossen in West Europa zeer dicht. De wilddichtheid was daarbij zo gering geworden dat de (jagende) bevolking uit de bosgebieden wegtrok. De nadrukkelijke aanwezigheid van linden op de vruchtbare droge bodems kon pas onlangs door verfijning van het stuifmeelonderzoek worden onderkend. Lindebomen worden door insecten (waaronder bij en) bestoven en hebben daarom zwaar, kleverig stuifmeel. Deze stuifmeelkorrels waaien niet ver weg en het fossiele stuifmeel dat men in veentjes vindt is derhalve voornamelijk stuifmeel van windbestuivende bomen zoals elzen en eiken. Hierdoor vindt men maar weinig  fossiel lindenstuifmeel in het veen en dat leidde aanvankelijk tot een onderschatting van de hoeveelheid linden in het prehistorische bos. Behalve de linde en de eik was de iep in het Atlanticum een van de meer typerende bomen op vruchtbare gronden. De iep was waarschijnlijk vertegenwoordigd met drie soorten: steeliep, ruwe iep en veldiep. Niet overal breidde zich het loofbos uit. In het vochtige Atlanticum begonnen zich namelijk ook de hoogvenen te ontwikkelen ten koste van het bosareaal. Hun grootste uitbreiding hadden de venen laat in het Atlanticum en in het Subboreaal, totdat in de laatste duizend jaar voor Christus het klimaat te droog werd voor de vorming van hoogveen. Pas tegen het einde van het Atlanticum kwam de beuk ons land binnen. Tot in de middeleeuwen hield deze boom een ondergeschikte plaats in het bos. In de late middeleeuwen ging de beuk weer sterk achteruit, mogelijk als gevolg van de toenemende exploitatie van het bos. Deze laatkomer neemt tegenwoordig opnieuw een belangrijke plaats in. De rol van de beuk lijkt nu bij afwezigheid van grote planteneters zelfs allesoverheersend te worden als hij zich spontaan kan uitzaaien in natuurbos. Een andere laatkomer is de haagbeuk, die eerst omstreeks 500 voor Christus in ons land verscheen, maar hier nooit een overheersende plaats heeft verworven. 

 

Natuurlijke verscheidenheid -vroeger, nu en in de toekomst 

Wie min of meer natuurlijke loofbossen in West Europa vergelijkt met dergelijke gebieden in Noord-Amerika, in Oost China en in Japan waar een overeenkomstig klimaat heerst, zal duidelijke overeenkomsten vaststellen. Vertegenwoordigers van met name de geslachten beuk, eik, linde en esdoorn nemen vergelijkbare plaatsen in, zij het dat het meestal niet om precies dezelfde soorten gaat. Toch is er een belangrijk verschil: Het aantal boomsoorten is elders opvallend groter dan hier. Uit onderzoek is gebleken dat heel wat bomen die nu alleen in China of Noord Amerika voorkomen, voor de ijstijden ook hier hun plaats hadden in het bos. Bijvoorbeeld de reusachtige 15 mammoetboom, de Sequoiadendron, kwam mens als natuurlijk hulpmiddel. Ook de vroeger in Europa voor. Nu alleen nog in het oosten van Noord-Amerika. De beroemde ginkgo of waaierboom groeit nu alleen in China en Japan in het wild, maar groeide in een ver verleden ook in Europa. De Metasequoia was voor 1941 slechts van fossiele vondsten bekend. In dat jaar werd hij helemaal in het Shui-Ilsa-Pa-dal herontdekt. Sindsdien is de boom naar Europa gebracht en massaal vermeerderd. Hij siert nu als Chinese watercypres menig park. Het blijkt dus dat Europa door de ijstijden een belangrijk deel van zijn plantenrijkdom beeft verloren. Bij het opdringen van de koude uit het noorden verdwenen de warmteminnende soorten; ze trokken als het ware naar het zuiden. Maar evenals het Scandinavische landijs breidden ook de gletschers van de Alpen, de PyreneeŽn en de Karpaten zich uit, zodat ten slotte een zuidelijke vluchtroute ontbrak voor soorten die nog niet ten zuiden van deze gebergten voorkwamen. Door het ontbreken van dergelijke aaneengesloten barriŤres waren er in Oost AziŽ evenals in Noord-Amerika wel routes naar zuidelijke vluchtgebieden, de zogenaamde refugia. Toen het klimaat warmer werd konden de warmteminnende soorten zich vanuit de refugia weer geleidelijk naar het noorden verspreiden. In Europa bestond die mogelijkheid uiteraard niet voor planten die verdwenen waren. De overlevende soorten konden echter, de een sneller dan de andere, de bergketens passeren en zich naar het noorden uitbreiden. Zo keerden ze terug naar een verspreidingsgebied waar ze zich eerder al miljoenen jaren handhaaf den en ontwikkelden. In het voorgaande zagen we al dat bijvoorbeeld de hazelaar zijn gebied vrij spoedig naar onze streken wist uit te breiden, maar dat de beuk en de haagbeuk daarvoor veel langere tijd nodig hadden. Sommige bomen, zoals de douglasspar, zijn door de mens ten behoeve van de bosbouw opnieuw naar West Europa gebracht. Ook zijn er veel soorten vanuit Amerika en China naar ons land gebracht voor de aanleg van tuinen en parken. Het is een filosofisch probleem of hierbij sprake is van floravervalsing of van een terugkeer met de hazelaar kan immers wegens zijn voedselrijke noten door de mens snel zijn verspreid. De natuur maakt het toch niet uit of een gaai met een eikel in zijn snavel vloog of dat een jongetje deze in zijn broekzak heeft gedragen. (Hiermee is de problematiek natuurlijk niet volledig geschetst.) In de huidige situatie blijken helaas tal van bosplanten die wel hun plaats hebben verworven in het Europese loofbos, steeds zeldzamer te worden. Dat geldt niet alleen voor kruiden maar ook voor bomen. Al jaren wordt bij onze oosterburen, m Noord Rijn West Falen, en nu ook in ons land, veel aandacht besteed aan het behoud van de zwarte populier. Deze soort dreigt te verdwijnen en dat verdwijnen gebeurt onopvallend omdat veel zwarte populieren worden vervangen door sneller groeiende cultuurvariŽteiten van Amerikaanse oorsprong. Het huidige bosbeheer blijkt dus niet toereikend om voor alle planten en dieren  het juiste milieu in stand te houden. Hoe kritiek de situatie momenteel is voor tal van vogels, ongewervelde dieren en zwammen, blijkt zelfs niet te schatten. Duidelijk is we1 dat zonder herstel van zo volledig mogelijk natuurlijk bos (en zonder bestrijding van de luchtverontreiniging) veel kwetsbare soorten spoedig kunnen uitsterven.  Het gaat overigens niet alleen om het volledig uitsterven van soorten. Even ernstig is het verdwijnen van een groot aantal erfelijke eigenschappen. Vaak zijn het eigenschappen waarvan we het nut nog niet eens hebben begrepen. De exploitatie zal de erfelijke eigenschappen van veel bomen al beÔnvloed hebben. Dit is weliswaar minder in het oog springend dan het verdwijnen van de bomen of grote zoogdieren, maar daarom niet minder ernstig. Volgens erfelijkheidsdeskundigen vertegenwoordigen de eiken uit het oerbos net zo min de oorspronkelijke eiken uit het oerbos met al hun onderlinge verschillen, als ons moderne melkvee de oerossen. Ook bomen zijn op vorm en productie geselecteerd. Door die selectie kan een aangeplant eikenbos nog maar een beperkt deel van de erfelijke eigenschappen bezitten van een natuurlijk eikenbos. Dit verlies van erfelijke eigenschappen moet nog dramatischer vormen hebben aangenomen bij die boomsoorten die uit uitheemse variŽteiten geselecteerd worden en die, zoals iepen en populieren, massaal van enkele exemplaren gestekt worden. Inmiddels blijken we het oernatuurlijke bos al te missen als bron van kweekmateriaal voor bomen. 

 

De invloed van landbouw en bosgebruik op het loofbos 

De jagende mens oefende slechts indirect invloed uit op de structuur van de natuurlijke begroeiing doordat hij plaatselijk de aantallen natuurlijke grazers beperkte. Het kappen van bomen met een stenen bijl is een moeizame bezigheid en men zal niet meer gekapt hebben dan men voor bouwmateriaal nodig had. Voor brandstof  zal men ook dood en dor hout verzameld hebben, waaraan in het natuurbos geen gebrek was. Pas bij de komst van de landbouwculturen begon de mens meer greep op het landschap te krijgen. Omstreeks 4500 voor Christus begonnen mensen landbouw en veeteelt in onze streken te beoefenen. Rondom hun woonplaatsen hadden ze grote invloed op de vorming van het landschap. De eerste boeren in ons land hielden waarschijnlijk hun vee het hele jaar door in omheinde kralen en voederden de dieren met hooi en loofhooi. Het loofhooi bestond voor een groot deel uit de voedzame bebladerde takken van hazelaars, linden en iepen. Erg belangrijk voor de ontginning van het oosten van ons land waren de vuursteenmijnen in Limburg.De pioniers in Limburg gebruikten zelf stenen bijlen die uit andere streken (tot uit SiberiŽ) waren geÔmporteerd.  Deze mijnen zijn gedurende vele duizenden jaren ontgonnen en hebben een wijde omgeving voorzien van het gereedschap om te jagen en de buit te verwerken, om bomen te knotten en bos te kappen. Limburg vormde hierdoor een belangrijk handelscentrum en mede dank zij de aanwezigheid van  vruchtbare lŲssgronden begon de land bouwontwikkeling in deze streek vroeg. De eerste landbouwers vestigden zich op de vruchtbare, goed ontwaterde gronden van het middenterras van de Maas. Samen met de landbouw zal ook de ontbossing in de volgende paar duizend jaar vanuit dit gebied over de makkelijk te ontginnen gronden zijn voortgeschreden. Laat in het Atlanticum was het klimaat heel zacht geworden. Wet was warmer dan tegenwoordig en het regende ook meer. Omdat het groeiseizoen lang duurde en de winters zacht waren, was het eenvoudig om het vee het hele jaar door zelf zijn voedsel te laten zoeken in het bos. In de zachte winter konden de prehistorische boeren hun koeien, schapen en geiten (bet paard werd nog niet als huisdier gehouden en de botvondsten bij woonplaatsen uit die tijd zijn afkomstig van de jacht) bijvoeren met twijgen en jonge takken. Hiertoe werden bomen in het bos op enkele meters hoogte geknot. Door de bomen op drie tot vijf meter hoogte te knotten werd het herstel van de boom niet belemmerd door de vraat van het vee, waar dat niet meer in kralen werd gehouden. Deze maatregel was echter niet voldoende om het bos in stand te houden.   Het verouderende boombestand kon zich in de bossen immers nauwelijks verjongen, omdat de hoge veebezetting het opgroeien van zaailingen verhinderde. Naarmate de ondergroei schaarser werd, werden de spaarzame zaailingen alleen maar aantrekkelijker voor de vele huisdieren. Ook de wilde hoefdieren aten natuurlijk deze planten, maar het aantal wilde dieren was altijd beperkt geweest door het voedselaanbod in de winter. in het groeiseizoen was de hoeveelheid eetbare gewassen groter en werden daarom niet alle jonge bomen opgegeten. Door de kunstmatige wintervoedering met loofhooi veranderde dit. (Hooi werd pas in de late middeleeuwen uitgevonden.) Het aantal stuks vee werd nu niet meer beperkt door de voedselschaarste in de winter maar alleen door het gemiddelde voedselaanbod over het hele jaar. Dank zij deze truc kon het huisvee in veel grotere aantallen per hectare de winters overleven dan de oorspronkelijke wilde planteneters, met het gevolg dat in de zomers wel de hele jonge aanwas werd opgegeten. Ook het aantal wilde grazers kon aanvankelijk groeien door de toenemende openheid van het bos. Het bos werd ijler en in de ondergroei verdwenen schaduwminnende soorten. Ten slotte verdween met het versterven van de oude bomen het bos zelf. We zien in de stuifmeelprofielen van veenlagen die in die periode zijn gevormd tegelijk met de toename van een typische cultuurvolger zoals smalbladige weegbree een sterke afname van het stuifmeel van hazelaars, iepen en linden. Die bomen werden elk jaar of om de paar jaar ontdaan van alle kleine takken, waardoor de bloei onderdrukt werd. Iepen bijvoorbeeld bloeien alleen aan takken van enkele jaren oud. Een reden dat de linden veel meer afnamen dan bijvoorbeeld eiken zou kunnen zijn dat juist de vruchtbare, hogere gronden waar de gemengde linden bossen (met iepen en eiken als de belangrijkste ondergeschikte soorten) groeiden ook zeer geschikt waren voor veeteelt. tijdens het Atlanticum groeiden hier gemengde loofbossen waarin linde en eik de belangrijkste boomsoorten waren. Op de rijkere gronden speelden ook es en iep een belangrijke rol. Onder iepen treedt tegenwoordig massale sterfte op - zoals ook hier is te zien -, een verschijnsel dat in prehistorische tijden eveneens optrad. In ons land verliep de achteruitgang van de iep vrij geleidelijk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland en Denemarken, waar de iep in vrij korte tijd bijna volledig verdween. Voor Denemarken heeft men geprobeerd uit te rekenen hoeveel koeien zouden kunnen worden gevoed met de geschatte hoeveelheid iepentakken. De betrokken onderzoekers kwamen daarbij tot de conclusie dat het aantal koeien lang niet groot genoeg kan zijn geweest om de achteruitgang van de iepen te verklaren. Ze opperen de mogelijkheid dat ook toen al natuurlijke oorzaken zoals de iepziekte een rol hebben gespeeld. Mogelijk onderschatten die onderzoekers het grote effect van een geleidelijke degradatie. Gezien de inderdaad bescheiden bevolkingsaantallen en dito hoeveelheid vee lijkt een kleine verschuiving in het natuurlijke evenwicht al te zorgen voor een geleidelijke degradatie van het ecosysteem door verstoring. Ook de ontbossing in het Midden-Oosten, in de Sahara, de Andes en de landen rond de Middellandse Zee heeft tot voor kort bij een zeer geringe bevolkingsdruk plaatsgehad. Uit het onderzoek van fossiele stuifmeelkorrels blijkt dat in die tijd een aantal planten die we kennen als typische cultuurvolgers zich plotseling sterk vermeerderden. De al genoemde smalbladige weegbree is hiervan het best onderzochte voorbeeld. Deze plant werd bevoordeeld door ontginning en beweiding rondom nederzettingen. De weegbree kwam waarschijnlijk met de landbouw mee uit het zuiden. Andere cultuurvolgers zoals beide kwamen waarschijnlijk voor op plekken in het bos die door het wild veelvuldig werden begraasd en betreden. Het stuifmeel wordt in de oudere stuifmeelprofielen nauwelijks gevonden omdat de stuifmeelkorrels van deze planten net als in het geval van de linde moeilijk door de gesloten bosrand waaiden of door de bosschages die de veentjes omzoomden werden tegengehouden. Pas toen de landbouw en veeteelt gezorgd hadden voor een opener landschap kon dit stuifmeel tot in de venen waaien, waar het tot onze tijd tot vreugde van de onderzoekers geconserveerd bleef. 

 

Het natuurlijke landschap bepaalde het karakter van het latere cultuurlandschap 

In het volgende worden vier voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat niet overal in Nederland de achteruitgang van het bos op dezelfde wijze verliep. Hooggelegen en droge gronden waren het gen~iakke1ijkst te ontginnen. Alleen hooggelegen gronden op zware leem, keileem en potklei waren vaak grote delen van het jaar nat en daardoor minder geschikt voor veeteelt. Akkerbouw was in die tijd op de zware gronden helemaal nog niet mogelijk. Het ontbrak niet alleen aan ijzeren spaden of ploegen, maar men beschikte ook nog niet over technieken om trekossen of paarden voor de ploeg te spannen. De broekbossen, die grote delen van ons land bedekten, waren slechts bewoonbaar op oever- en voormalige kwelderwallen en van daar uit maar in beperkte mate te ontginnen. Elk van deze bijzondere landschappelijke situaties leidde tot een aangepaste vorm van exploitatie. De eerste landbouwers vestigden zich, zo zagen we al, op de lŲssgronden van Limburg circa 4500 jaar voor Christus. Archeologen vernoemden deze mensen naar het aardewerk dat bijhun  overblijfselen werd gevonden, de zogenaamde bandkeramiek. Het is bekend dat dit volk zowel akkerbouw als veeteelt bedreef. Men leefde in kleine dorpen en de grote rechthoekige huizen waren verdeeld in een woonruimte, een graanschuur en een stal. In die tijd was de gemiddelde temperatuur een a twee graden hoger dan tegenwoordig. In de bossen van Zuidoost Nederland domineerden toen op de hoge gronden linde, eik, iep, es en hazelaar en in de beek- en rivierdalen els, berk en wilg. Naaldbomen zoals den, taxus en jeneverbes kwamen nog maar op een beperkt aantal geschikte plaatsen voor. In de eerste duizend jaar van hun  ontwikkeling verspreidden de landbouw en veeteelt zich over heel Nederland, met ingrijpende gevolgen voor de bossen. De wijze waarop de mensen in hun  voedsel trachtten te voorzien was geheel afhankelijk van het type landschap dat ze bewoonden. Om te begrijpen hoe in het Atlanticum de mensen van de zogenaamde nieuwe steentijd omgingen met het beboste Nederlandse landschap, is het noodzakelijk te doorgronden hoe dat landschap er toen uitzag. Uiteindelijk leidde al meer dan drieduizend jaar geleden de landbouw in elk landschapstype tot grootschalige ontbossing en tot de vorming van grote open gebieden: weilanden, heischrale graslanden en vaak ook tot heidevelden en stuifzanden. Dat het karakter van het natuurlijke landschap bepalend was voor het lot van het bos na nog eens duizend jaar landbouw en veeteelt tonen de volgende voorbeelden. Twee voorbeelden betreffen bepaalde stammen van de zogenaamde standvoetbekercultuur vanaf drieduizend jaar voor Christus. In Oost- en Midden Nederland ontgonnen die stammen de pleistocene gronden ten noorden van de grote rivieren, overal waar de situatie geschikt was voor permanente bewoning en veeteelt. Twee andere voorbeelden betreffen bewoning van de kuststreken en rivierdelta's door stammen van de late Vlaardinger cultuur (dit voorbeeld heeft betrekking op vondsten daterend uit 2380 tot 2030 voor Christus) en de bekerculturen in dezelfde periode. De jonge rivier- en zeeafzettingen waren slechts gedeeltelijk en soms alleen tijdelijk voor bewoning geschikt, terwijl de mogelijkheden voor visserij, jacht, landbouw en veeteelt niet overal gelijk waren. 

 

De ontginning en exploitatie van het bos in twee natte gebieden

Omstreeks twee en een half duizend jaar het begin van de jaartelling, na daling van de zeespiegel, waren er in het gebied van de Hollandse delta's met hun brede riviermonden tal van smalle en ondiepe kreken met hogere zandige oeverwallen tot enkele tientallen meters breed. De brakke kreken waren rijk aan vis en gevogelte en werden omzoomd door biezen, net en wilgenstruwelen, zoals in de Biesbosch voor de afsluiting van het Haringvliet en de 21 2V\) De Biesbosch met diepe getijdengeulen, zoals hij was voor de afsluiting van het Haringvlet. Dergelijke getijdenbossen beheersten destijds de Hollandse en Zeeuwse delta's. Zeeuwse wateren. Aan de andere zijde van de oeverwal waren de ondiepe kommen met zware kleibodems en stagnerend water. Op deze onbegaanbare gronden hadden zich moerasbossen gevormd. In de natste delen vormde zich riet- en zeggenveen dat naar de randen overging in broekbossen bestaande uit elzen en berken. De randen van de oeverwallen werden omzoomd door wilg, hazelaar, meidoorn, braam en lijsterbes, terwijl de hoogste delen begroeid waren met es, eik, linde, Spaanse aak en wilde appel. De invloed van de mens (van de Vlaardinger cultuur) op de bossen van dit getijdenlandschap bleef gering vergeleken met elders. Alleen op de kleine oeverwallen was bewoning mogelijk en daar kon men ook kleine akkertjes met gerst, tarwe en haver aanleggen. Men bezat weliswaar enige runderen, geiten, schapen en varkens, maar kon deze in de grotendeels onbegaanbare moerasbossen lang niet overal hoeden. Verzamelen, jagen en vissen bleven daarom een belangrijke aanvulling in deze landbouweconomie. De aanwezigheid van massa's botten van wild, vis en gevogelte op de voormalige woonplaatsen toont de natuurlijke rijkdom van de omgeving. Edelhert en wild zwijn waren belangrijk jachtwild, aangevuld met bever, kat, otter, marter en tal van vissoorten. De producten van de akkerbouw werden aangevuld met eikels, hazelnoten, wilde appels en bessen. In de toen nog ongeschonden Nederlandse natuur bleken nu zeldzame soorten zoals steur en kraanvogel regelmatig deel uit te maken van het menu. Alleen op de oeverwallen werd het natuurlijke bos aangetast en gedijden nu massaal stikstofminnende ruigtekruiden zoals bijvoet, ganzenvoet en brandnetel. Doordat de ontginning van het landschap beperkt bleef tot de oeverwallen en verder de jacht op wild, vis en gevogelte wegens de onbegaanbaarheid van het land beperkt was, bleven de getijdenbossen als ecosysteem intact. Pas in later tijden, toen de zeespiegel maar weinig meer steeg en de duinenrij zich sloot, verhinderde in een stabielere situatie riet- en zeggenveen de doorstroming van mineraalrijk water, waardoor de situatie ingrijpend veranderde. Op de met riet- en zeggenveen of bosveen gevulde kommen achter de oeverwallen groeiden vervolgens in grote delen van Holland uitdijende kussens mosveen, die het bos terugdrongen  in de richting van de hoge gronden en het nog stromende en voedselrijke water. Zo ontstond ten slotte het grote Hollandveen. Hier had de bewoning maar een beperkte blijvende invloed op het landschap. Pas in de middeleeuwen, na de ontwikkeling van betere ontwateringstechnieken, begon de grootschalige ontginning van dit gebied. Een veel grotere invloed op de bosontwikkeling hadden die stammen van de Vlaardinger cultuur die zich in dezelfde periode vestigden op de grote oude strandwallen langs de Hollandse kusten. Deze strandwallen en de achtergelegen 23 ( Het Hollandse weidelandschap heeft een bosrijk verleden. Deze boomstammen, ooit een indrukwekkend veenbos, b/even vele eeuwen geconserveerd onder het beweide Hollandveen. Holland betekent dan ook 'bolt/and' of 'bosland'. voormalige strandvlakten ontstonden in dezelfde tijd dat de landbouw in deze streken werd ingevoerd. De oudste strandwal bij de Hollandse kust is gevormd tussen 3100 en 2800 jaar voor Christus. Aanvankelijk raakten deze oude strandwallen bedekt met weelderige bossen bestaande uit eiken, iepen, essen en hazelaars. Ten oosten van deze kustbarriŤre ontwikkelde zich het Hollandveen en ten westen strekten zich natuurlijke zilte graslanden uit en mogelijk een mozaÔek van gras, rietvelden en struwelen van onder andere (kruip)wilg, vlier en een aantal soorten doornstruiken tot aan de nieuwe strandwal. Door de goede begaanbaarheid van het terrein was er nauwelijks een beperking in de benutting van het gebied. De lichte gronden van de strandwallen waren zeer geschikt voor de akkerbouw en de uitgestrekte lage, vrij vlakke gebieden vormden de best denkbare weidegronden. Ook het gebrek aan viswater maakte dat men zich meer op de veeteelt toelegde. Hier werd dus al direct nadat de oude, nog zilte strandvlakte door een nieuwe oeverwal Strandvlakte met duindoorn, braam, vlier, wilgenroosje, jacobskruiskruid en net. van de invloed van de zee was afgesloten de struweel- en bosvorming verhinderd. Ook op de oude oeverwal zullen de intensieve bewoning, de landbouw en de hoge concentratie vee elk bosherstel hebben voorkomen. Hierdoor zal al snel het volledig open en grootschalige landschap zijn ontstaan, met bouwland op de goed ontwaterende hogere gronden en weilanden, die we nu zo karakteristiek vinden voor onze kuststreken, op de nattere delen. 

 

De ontginning en uitbating van het bos in twee droge gebieden

 De volgende voorbeelden maken duidelijk dat ook op de droge gronden in Midden- en Oost-Nederland de verschillen in landschap, bodem en vegetatie leidden tot verschillende vormen van ontginning en bosdegradatie. Onder bijna heel Drenthe strekken zich enkele grote keileemplateaus uit. Het leem is bedekt met een dunne zandafzetting. De keileemlaag is vrijwel ondoorlatend voor water, waardoor er een uitgebreid netwerk van beken ontstaan is om het water aan de oppervlakte af te voeren. De beschikbaarheid van water maar evengoed de ontwatering van het land is een essentiŽle voorwaarde voor permanente bewoning en het fijn vertakte bekenstelsel veroorloofde de stammen van de standvoetbekercultuur om zich verspreid over heel Drenthe te vestigen. De hoge gronden waren door Primitieve bosontginning, zoals nu nog in de tropen, heeft vroeger ook hier plaatsgevonden. Het akkertje - met veel onkruid - kan een paar jaar dienst de en. slechte ontwatering evenmin als de moerassige beekdalen te bewonen. Op de smalle strook tussen plateau en beek was het land echter goed bewoonbaar. De door eiken gedomineerde, open en grazige bossen groeien op goed ontwaterende zandige bodems met een diepe grondwaterstand. Dergelijke bodems zijn schaars in Drenthe. In deze relatief dicht bevolkte streek ontstond daardoor al snel gebrek aan weidegebied voor de groeiende veestapels. Daarom kapte men grote de]en van de dichte iepenrijke eikenessenbossen op de vochtiger bodems en langs de beken. In principe was hier sprake van hetzelfde kap- en brandsysteem dat nu nog in tal van tropische bossen plaatsvindt. Uit onderzoek van fossiel stuifmeel blijkt dat typische planten van de kapvlakten, zoals ratelpopulier, boswilg, vlier en smalbladige weegbree, tijdelijk in aantal toenamen, terwijl de hoeveelheid stuifmeel van de heersende boomsoorten snel afnam. Op deze wijze werden grote delen van Drenthe in korte tijd ontbost. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat er in de tijd van de hunebedbouwers al blijvende akkers waren. De bodem van de Veluwe bestaat in tegenstelling tot die van Drenthe tot op grote diepte uit goed doorlatend zandig materiaal. Hierdoor zakt het regenwater diep de grond in. De grondwaterspiegel kan tot 25 meter diep liggen en het water welt alleen in de lagere delen op. Dat zijn de brongebieden van een beperkt aantal Veluwse beken. De weinige beekdalen waren door de beschikbaarheid van water aantrekkelijk voor eerste bewoning. De uitgestrekte hoge zandige gronden waren minder geschikt. Daar groeide waarschijnlijk een open bostype met voornamelijk linde, eik, berk en hazelaar, en de goed ontwikkelde ondergroei vormde een geschikte voedselbron voor het vee. De plotselinge afname van het bos, zoals die in grote delen van Drenthe plaatsvond, is op de Veluwe slechts geconstateerd in de onmiddellijke omgeving van enkele woonplaatsen. De bevolking die zich in de beekdalen vestigde had voldoende open en 24 begraasbaar bos in het achterland, zodat zich niet de noodzaak voordeed het bos op grote schaal te kappen. Wel verhinderde de toegenomen begrazing uiteindelijk ook hier het herstel van het bos. Uit onderzoek van fossiel stuifmeel blijkt dat het bos slechts heel geleidelijk door de begrazing verdween. Met name de langlevende eiken en linden bleven tot ver in de bronstijd het landschap domineren.  Opvallend is ook de duidelijke toename van planten die gebonden zijn aan zoomvegetaties en randstruwelen. Door het kappen en verbranden van bos, zoals dat in Drenthe gebeurde, worden deze planten helemaal niet bevoordeeld. Ze zijn namelijk geheel gebonden aan begrazing van het bos in een mm of meer stabiele situatie. Eerder kwamen deze planten in geringere hoeveelheden voor langs de randen van open plekken en in boszomen, waar de natuurlijke begrazing zorgde voor stabilisering van deze begroeiing. Ook de blauwe knoop, een plant die vooral gebonden is aan licht beweide zeer open bossen, nam sterk toe. Heide daarentegen, die massaal verschijnt nadat bossen volledig verwijderd zijn en de kapvlakten worden beweid, vermeerderde zich op de Veluwe relatief laat. Een ver gevorderde fase van dit proces is nu nog te zien in het 20 000 hectare grote begraasde deel van het New Forest in Engeland. Vanaf omstreeks 1100 na Christus zijn hier de beweidingsrechten in dezelfde vorm in stand gehouden. Grote delen van de oorspronkelijke begroeiing zijn al omgevormd tot heidevelden. In enkele perioden met een geringere graasdruk heeft het bos zich kunnen herstellen, zodat nog steeds ook het begraasde bos en zijn randstruwelen in diverse stadia van aftakeling te vinden zijn. 

 

Heggenlandschappen, geboren uit het bos 

Archeologisch onderzoek doet vermoeden dat de mens al heel snel de stekelige struiken van de randstruwelen heeft benut als natuurlijke veekeringen. Sleedoorn, meidoorn, bramen en diverse wilde rozen vormen een natuurlijk prikkeldraad. Met een beetje hulp van de mens, door h t bijplanten en ineenstrengelen van doornstruiken is een erfscheiding helemaal veedicht te maken. De eerste boeren gingen er waarschijnlijk al snel toe over de spontane opslag langs omheiningen te stimuleren of de stekelstruiken aan te planten op de scheidingen tussen de weidegebieden en de akkers. Zolang de veebezetting op de weidegronden niet te hoog was hielp het vee de haag door de natuurlijke snoei in een redelijke staat te houden. Zo ontstonden, gebruikmakend van een betrekkelijk ondergeschikt structuurelement uit het oerlandschap, het oerboslandschap zouden we kunnen zeggen, in grote delen van West Europa uitgestrekte heggenlandschappen. De hagen, met dominerende soorten zoals de stekelige meidoorn, hielden het vee binnen de weidepercelen en gaven tevens enige bescherming aan het vee tegen de nog talrijke grote roofdieren. Ook werden op deze wijze de akkers beschermd tegen wild en vee. De hagen leverden bovendien een groot aantal nuttige producten. Na het verdwijnen van de uitgestrekte lindenbossen, zo blijkt uit onderzoek van houtskoolresten, diende voornamelijk het snoeihout van hazelaar, wilde appel, meidoorn, lijsterbes en wilde kers als brandhout. De hagen voorzagen de mensen in de prehistorie ook van tal van vruchten zoals bramen, frambozen, hazelnoten, pruimen van sleedoorn en wilde appels. Bij voortgaande roofbouw kon uiteindelijk ook een deel van dit heggenlandschap verder degraderen. Op een groot aantal plaatsen is echter het heggenlandschap tot op bed en bewaard gebleven. Nu verdwijnen de hagen echter snel door gebrek aan onderhoud of ten gevolge van ruilverkavelingen. Waar de heggen wel behouden zijn treedt helaas algemeen een biologische verarming op. Uit de voorbeelden is duidelijk geworden dat het proces van ontbossing zoals we dat nu kennen in de tropen, dat we als uiterst schokkend ervaren, in Europa al voor het begin van onze jaartelling voltooid was. Enkele restanten van de biologische rijkdom van het oorspronkelijke landschap bleven lange tijd behouden in heggen, houtwallen, geriefbosjes, weilanden en heidevelden. Een aantal planten die tevoren minder overvloedig voorkwamen profiteerden van de veranderingen. Een onbekend aantal levensvormen werd echter zeldzaam of verdween. Alleen op gronden die moeilijk te ontginnen waren hield het natuurbos nog stand, omdat het er te nat was of omdat de zware klei en leem onbegaanbaar dan wel met de prehistorische technieken niet te bewerken waren. De houtcrisis zoals die zich nu voordoet in de Derde Wereld, is in West Europa al in de middeleeuwen begonnen. Omdat in de ontboste streken het hout al spoedig schaars was, werd daar toch een deel van het bos als bron van hout door de gemeenschap beschermd en in stand gehouden. Het karakter van deze gebruiksbossen veranderde echter drastisch. De oorspronkelijke planteneters waren verdwenen en vaak werden er koeien, geiten, schapen of grote aantallen varkens in gehoed. Dood hout verdween nagenoeg geheel uit het ecosysteem. Al het hout was namelijk bruikbaar en werd in de goed toegankelijke bossen systematisch geoogst: takken en twijgen voor veevoer of brandhout, grotere takken voor afrasteringen, palen of bouwhout en stammen voor de gebinten van de huizen en boerderijen. 

Met de ontginning van de laatste oerbossen ontstaan de zorg voor bosbehoud en de bosbouw 

Steeds als de landbouwtechnieken zich verder ontwikkelden, nam de greep van de mens op het landschap toe. In onze eeuw, met zijn zich explosief ontwikkelende techniek, zien we in enkele tientallen jaren wat dit betekent. Voortgaande mechanisatie, diepe ontwatering, kunstmest en pesticiden verdrijven de laatste natuurlijke elementen uit het boerenlandschap ten behoeve van een rationele productie. Hoewel dit proces zich duizenden jaren lang veel geleidelijker voltrok, was de uitwerking in wezen gelijk. Aanvankelijk kon men met handkracht en stenen gereedschap slechts betrekkelijk kleine stukken bos ontginnen. Na de invoering van bronzen en ijzeren werktuigen kon men veel grotere stukken bos de baas. Men had voor een kleine nederzetting veel grond nodig. Niet alleen moest het vee voldoende weidegebied hebben, ook voor de bemesting van de kleine akkers waren, nadat de eerste bodemvruchtbaarheid was uitgeput, vele hectaren plaggen nodig als bemesting. In de middeleeuwen begon de laatste stormloop op de oerbossen. Men had geleerd om de natte, moeilijk bewerkbare gronden te ontwateren en te ontginnen. De introductie van de keerploeg verlichtte de arbeid op de zware leem- en kleigronden. Bovendien kon men door de uitvinding van betere bespanningstechnieken paarden gebruiken voor het zware trekwerk. Tevoren spande men de paarden in als ossen. Het juk werd op de schoften gelegd met een lange, smalle riem om de hals. Op deze manier werd bij een belasting zwaarder dan twee- a driehonderd kilogram de adem van het dier afgesneden. De invoering van het vaste houten raamvormige halsjuk, de haam, in de negende of tiende eeuw zorgde ervoor dat de adem van het paard niet werd afgesneden bij zwaar trekwerk. Hierdoor steeg ook de arbeidsefficiŽntie in de landbouw. Voordien kon men alleen de trage ossen voor het trekken van de ploeg gebruiken. Het paard was tevoren meer een luxe rijdier. In moderne woorden: de functie van het paard veranderde van luxe vervoermiddel tot trekker voor het zware ontginnings- en landbouwwerk. Was tevoren het grootste deel van het land nog bedekt met bos - dit was overigens al lang geen oerbos meer maar waarschijnlijk sterk door de mens beÔnvloed -, nu nam ook in de moeilijker te ontginnen gebieden het bos zo snel af dat men zich voor het eerst zorgen ging maken over de toekomst van de houtvoorziening. Allerlei voorschriften en verboden gingen de bosexploitatie beperken. In het Meijnweggebied zuidoostelijk van Roermond, volgens het regeringsbeleid een van de potentiŽle nationale parken, waren de rechten op exploitatie van hout, takken en twijgen en zelfs van bossen struikheide al in de dertiende eeuw volgens strakke regels en  karige rantsoenen onder de inwoners van de omliggende steden en dorpen verdeeld. Hout was een schaars artikel geworden en in het hele land gingen de boseigenaren zich verenigen in markegemeenschappen. Bossen vormden in de late middeleeuwen nog maar kleine enclaves in het cultuurland. Het bos kreeg door zijn schaarste economische waarde. Deze waarde bleef echter altijd tamelijk laag, want het bedrijven van landbouw was ook toen nog bijna overal winstgevender dan bosbouw. In de vroege middeleeuwen had het bos voornamelijk economische waarde vanwege het jachtwild. Ook werden in het bos varkens en rundvee geweid. Later hing de waarde van het bos door de toenemende schaarste in hoofdzaak af van de hoeveelheidhout die het opleverde. De continuÔteit van de houtproductie baarde daarom vanaf de late middeleeuwen de meeste zorgen. In die tijd werden voor het eerst boswachters aangesteld. In bijvoorbeeld Drenthe, dat voor 1500 nog een groot areaal zwaar oerbos bezat, werd de instandhouding door de regels van de verschillende marken bevorderd. Na 1600 begon de Drentse overheid maatregelen te nemen tegen vernieling en zelfs tegen normaal gebruik van eikenhout. Er was in Drenthe veel eikenhout, maar er was ook veel nodig, want stenen woonhuizen werden nog zelden gebouwd en ook het boerengeriefhout slokte jaarlijks vele tonnen van deze grondstof op. De bepalingen van 1609 verboden al het gebruik van eenbomige eiken voor disselbomen en eiken zweepstokken. In 1612 werd door drost en gedeputeerden een jaarlijkse aanplant van acht jonge eiken per waardeel - volwaardig erf dat deel had in de gemeenschappelijke markerechten - in ieder buurschap bevolen. Twee bosinspecteurs per buurschap hielden toezicht op de naleving. In Roden werden voor 1500 al boswachters aangesteld. Daar stelde men in 1520 de bepaling in dat een ieder die vee in het bos weidde, jaarlijks per twee koeien een boom moest planten. In Schipborg had iedere gewaardeelde de plicht elk jaar vier eiken te planten en te verzorgen. Daar was het slechts toegestaan om voor eigen gebruik een elzenstok te kappen als steel voor een hark of boom voor de zeis. Dat al deze beschermende maatregelen niet veel effect hadden, blijkt wel uit het feit dat die bepalingen op het gebruik van eikenhout in de volgende eeuwen telkens moesten worden aangepast. De houtbehoefte bleef voortdurend stijgen. De uitdijende steden werden aanvankelijk geheel van hout gebouwd:Alleen de kerken en enkele gebouwen van de overheid of de zeer rijken waren van steen. Ook de groeiende handelsvloten eisten in Hollands Gouden Eeuw steeds meer goed eikenhout. Het restant natuurbos kon aan deze vraag met meer voldoen. Het hout was van een overvloedige grondstof een zeer schaars artikel geworden. In de behoefte aan brandstof kon voorlopig worden voorzien door de turfwinning, maar voor bouwmaterialen was er geen alternatief. Uit het feit dat vaak zeer zware straffen stonden op het stelen van hout valt af te leiden dat het een uiterst begerenswaardig artikel was. Dit is de reden dat in deze periode actief wordt begonnen met de houtteelt. Niet alleen met de houtteelt overigens. Ook het natuurbehoud kreeg een groeiende aandacht, zij het niet altijd met het gewenste gevolg. In de vorige eeuwen zijn op de houtplantages miljoenen eiken geplant. Uit Drentse archiefstukken blijkt dat in het Norgerholt al omstreeks 1640 de eiken in rijen werden aangeplant. (Dit beroemde bos van Natuurmonumenten wordt nu overigens nog beschouwd als een van de meer waardevolle natuurbossen.) Dat inmiddels ook de wilde hoefdieren waren verdwenen was op zichzelf al jammer, maar veel ernstiger nog is het verlies van hun rol in de natuur. Zoals het verlies van een radertje uit een mechanisme, zo doet ook het verlies van diersoorten of het verlies van een belangrijke voedselbron zoals dood hout het functioneren van het hele ecosysteem schade. Het verslechtert daardoor geleidelijk, waardoor ten slotte steeds meer planten- en diersoorten verdwijnen. Omdat dat proces heel langzaam verloopt lijkt het niet schokkend of dramatisch. Wanneer we echter terugblikken naar de rijkdom die spreekt uit de inventarisatielijsten van planten uit het Beekbergerwoud,het laatste zogenaamde oerwoudrestant dat overigens al lang geen onbedorven bos meer was, en als we dat vergelijken met de soortenrijkdom van onze huidige natuurbossen, dan is het verschil schokkend. Helaas had de botanische rijkdom van het laatste oerbos geen waarde in het economisch verkeer. Zodra het technisch mogelijk en commercieel verantwoord was, werden de bomen verkocht en de bosgrond werd omgezet in rendabel wei- of bouwland. Het laten liggen van oogstbaar stamhout is voor de bosbouwer overigens veel kappen als steel voor een hark of boom voor de zeis. Dat al deze beschermende maatregelen niet veel effect hadden, blijkt wel uit het feit dat die bepalingen op het gebruik van eikenhout in de volgende eeuwen telkens moesten worden aangepast. De houtbehoefte bleef voortdurend stijgen. De uitdijende steden werden aanvankelijk geheel van hout gebouwd: Alleen de kerken en enkele gebouwen van de overheid of de zeer rijken waren van steen. Ook de groeiende handelsvloten eisten in Hollands Gouden Eeuw steeds meer goed eikenhout. Het restant natuurbos kon aan deze vraag met meer voldoen; het hout was van een overvloedige grondstof een zeer schaars artikel geworden. In de behoefte aan brandstof kon voorlopig worden voorzien door de turfwinning, maar voor bouwmaterialen was er geen alternatief. Uit het feit dat vaak zeer zware straffen stonden op het stelen van hout valt af te leiden dat het een uiterst begerenswaardig artikel was. Dit is de reden dat in deze periode actief wordt begonnen met de houtteelt. Niet alleen met de houtteelt overigens. Ook het natuurbehoud kreeg een groeiende aandacht, zij het niet altijd met het gewenste gevolg. In de vorige eeuwen zijn op de houtplantages miljoenen eiken geplant. Uit Drentse archiefstukken blijkt dat in het Norgerholt al omstreeks 1640 de eiken in rijen werden aangeplant. (Dit beroemde bos van Natuurmonumenten wordt nu overigens nog beschouwd als een van de meer waardevolle natuurbossen.) Dat inmiddels ook de wilde hoefdieren waren verdwenen was op zichzelf al jammer, maar veel ernstiger nog is het verlies van hun rol in de natuur. Zoals het verlies van een radertje uit een mechanisme, zo doet ook het verlies van diersoorten of het verlies van een belangrijke voedselbron zoals dood hout het functioneren van het hele ecosysteem schade. Het verslechtert daardoor geleidelijk, waardoor ten slotte steeds meer planten- en diersoorten verdwijnen. Omdat dat proces heel langzaam verloopt lijkt het niet schokkend of dramatisch. Wanneer we echter terugblikken naar de rijkdom die spreekt uit de inventarisatielijsten van planten uit het Beekberger Woud, het laatste zogenaamde oerwoudrestant dat overigens al lang geen onbedorven bos meer was, en als we dat vergelijken met de soortenrijkdom van onze huidige natuurbossen, dan is het verschil schokkend. Helaas had de botanische rijkdom van het laatste oerbos geen waarde in het economisch verkeer. Zodra het technisch mogelijk en commercieel verantwoord was, werden de bomen verkocht en de bosgrond werd omgezet in rendabel wei- of bouwland. Het laten liggen van oogstbaar stamhout is voor de bosbouwer overigens veel moeilijker dan voor de natuurbeschermer. De stam is voor de bosbouwer per traditie immers het wezen van de boom, de oogstbare kern, het commerciŽle doel waarop zijn zorg en aandacht primair gericht is. Dood stamhout heeft vanuit het gezichtspunt van de houtteelt te maken met slechte verzorging en wordt geassocieerd met productiederving en financieel verlies. Het volgende voorbeeld illustreert deze tweeslachtigheid: In 1886 maakte een zekere Bart Wittewaall een voetreis door Noord Drenthe. Daarbij bestudeerde hij op een drietalplaatsen, bij Norg, Borger en Amelte, de flora van het oeroude eikenbos. Bij Norg zwierf hij door het laatste oerbos van die streek de Brul, waarvan zijn brieven de volgende beschrijving bevatten: 'Dit bos is groot en vooral voor een botanicus zeer interessant. Men ziet er duizenden eiken, waaronder enkele fraaie, een waarvoor ik zeker fl300, - zou willen vragen. Deze was op borsthoogte zeker 11 maal de lengte van dit velletje (zijn briefpapier mat 20 x t6 cm) in omvang en bijna drie lengtes of anders ruim twee molenassen. Dit is echt een zeldzaamheid en toont hoe het bos er uit had kunnen zien. Nu is het merendeel lijsterbessen, kamperfoelie, allerlei variŽteiten van bramen, onafzienbare velden lelietjes van dalen enz. enz. Alles is woeste en bijna ondoordringbare natuur, met overigens in de schaduw champignons en mos op vee/ bomen. (De schrijver doelt op baardmos, een korstmos dat ten gevolge van de h4chtverviiiiing vrijwel uit ons land verdwenen is.) Dit mos hangt zo treurig van de boomstammen en takken af dat men treurig zou worden van zo 'n stiefmoederlijke behandeling; ieders goed is niemands goed.' Hier komt dus ondanks de waardering voor de botanische aspecten even de bosbouwer boven die een intensief beheerd bos verkiest boven niet voor de mens ten nutte gemaakt natuurbos. Al snel na de middeleeuwen begon, door de opkomst van de houtteelt, de kunstmatige aanplant van bossen en het onderhoud van bos sterk de overhand te krijgen op natuurlijke bosontwikkeling. Uiteindelijk was het resultaat van de herplant voor de continuÔteit van de houtproductie gering. In 1870 was nog maar drie procent van Nederland met bos bedekt. Dat was al volstrekt geen oerbos meer, maar werd op allerhande manieren geŽxploiteerd. Vanaf die tijd is gelukkig door een gericht beleid van de overheid de bosoppervlakte toegenomen tot acht a negen procent. Hiervoor was mede de ruimte ontstaan, doordat dank zij de uitvinding van kunstmest vele woeste gronden niet meer nodig waren voor de mineralenverzorging van de akkers. Veel van deze woeste gronden waren overigens al volledig uitgeboerd en veranderden in grote vlakten stuifzand. Nog steeds is de continuÔteit van de houtproductie een zorg voor de Nederlandse overheid. Het beleid is er zelfs gericht de Nederlandse houtproductie lange termijn te vergroten. De overheid wil dan ook dat het natuurbehoud een wezenlijke functie blijft van het hele bosbestand. In een deel van de bossen blijft houtproductie als enige doelstelling bepalend. In het grootste deel van het bos moet volgens het overheidsbeleid de natuurbehoudsfunctie nevengeschikt zijn aan de productiefunctie. Maar de natuurwaarde van het bos heeft ook speciale aandacht. Volgens het Meerjarenplan Bosbouw, dat in 1985 door de minister van Landbouw en Visserij aan de Tweede Kamer werd gepresenteerd, krijgt bijna een vijfde deel van het bosbestand natuurbehoud als hoofdfunctie. Daarbij kan in een deel daarvan worden afgezien van houtoogst. Houtkap dient in deze bossen alleen om snel een gevarieerder bosstructuur te scheppen en dood  hout gaat er weer een wezenlijk onderdeel van het bos uitmaken. Dit betekent, althans in ons land, een volledige ommekeer in het beheer van bossen. Immers, hout is al heel lang een schaars artikel en bomen vertegenwoordigen een kostbaar bouwmateriaal. Sinds de middeleeuwen bleef daarom geen dode boom in het bos achter. Het hout verdween zo bijna volledig uit de voedselkringloop van het bos. Het is daarom niet verwonderlijk dat momenteel die paddestoelen en insecten schaars of verdwenen zijn die alleen kunnen leven op volumineuze stukken dood hout. Tevergeefs hebben we getracht het vliegend hert in ons land wettelijk te beschermen door een verbod de diertjes te verzamelen. Maar we kunnen deze kever weer de voedselbron geven die hij als larve nodig heeft: een bos met zware stammen dood eikenhout. Het zal nog vele jaren duren voordat in het Nederlandse bos zonder houtproducerende functie weer sprake is van een zo natuurlijk mogelijke situatie. Toch wil men proberen door middel van een gericht natuurbosbeheer de natuurlijke evolutie van bossen doorgang te laten vinden. Een ontwikkeling die grotendeels bepaald wordt door het samengaan van een natuurlijke bomensterfte en boomverjonging, welke ontwikkeling in de hand wordt gehouden door het snoeiwerk van de grote wilde planteneters. 

 

Waarom verdwenen de grote dieren uit het boslandschap? 

Lang voor de komst van landbouw en veeteelt, in de warme tussenijstijden, stierven er in Europa dieren uit, bijvoorbeeld het nijlpaard en de bosolifant. Vlak na de laatste ijstijd is hier nog een flink aantal grote zoogdieren verdwenen zoals muskusos, holenbeer, neushoorn, kyachta-antiloop, ijstijdezel en reuzenhert. Dit waren echter geen dieren van het bos. Pas in historische tijden stierven de wilde paarden en wilde runderen uit en verdwenen wisenten, zwijnen, edelherten, beren, lynxen, elanden en bevers uit grote delen van West~Europa.(Het voorkomen van lynx en wisent binnen landsgrenzen is niet aangetoond.) Er zijn aanwijzingen dat het op grote schaal uitsterven van kolossale dieren van de ijstijdtoendra een gevolg is van de ontwikkelde jachttechnieken van de mens. Immers ook in Noord-Amerika stierven meer dan dertig diersoorten zwaarder dan vijftig kilogram uit, vlak nadat de mens gewapend met speer en pijl en boog over de landbrug van de Beringstraat was getrokken. De botten van grote Amerikaanse dieren uit die periode worden altijd gevonden samen met pijlpunten en vuursteenwerktuigen. De grote dieren, die eenmaal volwassen geen angst hoeven te hebben voor wolven of poema's, hadden niet de noodzakelijke schuwheid ontwikkeld om de mens te ontlopen. Het is ook niet uitgesloten dat het verdwijnen van veel dieren werd veroorzaakt door klimaatwisselingen en natuurlijke veranderingen in de begroeiing. Dit laatste is minder waarschijnlijk voor de dieren die flexibel waren en zich zowel op de toendra als in de taiga en het loofbos konden handhaven. Wel verdwenen in de warme tussenijstijden en na de laatste ijstijd waarschijnlijk juist die dieren die zich te eenzijdig op de voedselplanten of prooidieren van de droge en koude toendra hadden gespecialiseerd. Het plantenkleed tijdens de ijstijden verschilde aanmerkelijk van de tegenwoordige Laplandse en pooltoendra. Ze had meer een steppekarakter en was bevolkt met grote aantallen dieren. Uit dit alles b]ijkt wel dat voor de mens de periode aan het eind van de ijstijd gunstiger was dan men zich bij het begrip toendra pleegt voor te stel]en. De toendravegetatie uit de ijstijd, de juiste omgeving voor de muskusos, de wolharige neushoorn, de wolharige mammoet, de sabeltandtijger en de holenbeer, komt nu nog slechts zeer sporadisch voor en is eigenlijk alleen op het Zweedse eiland GŲtland nog goed vertegenwoordigd. Voor dieren zoals het wilde paard, de oeros en de steppenwisent, die zich behalve op de toendra en in de taiga ook konden handhaven in het loofbos, kan het verdwijnen van de ijstijdvegetatie geen verklaring zijn voor hun tegenwoordige afwezigheid. Het uitsterven van de grote dieren die hun gunstigste leefmilieu in het West Europese loofbos vonden, is pas een recent gebeuren. het uitsterven is in zijn laatste fase wel onomstreden door de mens veroorzaakt. Na de komst van landhouw en veeteelt kon de bevolking - en aanvankelijk ook een aantal wilde dieren - sterk toenemen. Ondanks de  landbouw nam de jacht toe en het bosgebruik kreeg een heel ander karakter. Niet alleen nam de jachtdruk toe, maar ook werden de bomen in het vervolg zeer vee] gebruikt als veevoer, als brandstof en als bouw- en constructiemateriaal. Ten slotte is al het teruggekeerde natuurbos door een steeds voortschrijdende ontginning uit West Europa verdwenen. De jacht speelde waarschijnlijk een belangrijke rol bij het verdwijnen van de bever uit ons land. De laatste bever werd in 1825 bij Zalk aan de Gelderse IJssel geschoten. Deze bever is opgezet nog steeds in het natuurhistorisch museum Natura Docet te Denekamp te bezichtigen. In 1920 waren er nog maar een paar restgroepen in Europa over, maar sindsdien is de bever op steeds meer plaatsen opnieuw uitgezet. Dieren als oerossen stierven waarschijnlijk uit doordat hun  leefgebied werd bedorven. Karel de Grote jaagde nog op oerossen en deze jacht werd beschouwd als een koninklijke sport. In de dertiende eeuw waren ze helaas uit de meeste West Europese landen verdwenen. Door de concurrentie met tamme runderen stierven ze al uit lang voordat het oerbos volledig was verdwenen. De laatste poging om de oerossen te beschermen werd ondernomen door de Poolse koningin, maar tevergeefs. In 1627 stierf de laatste oeros in het oerbos van Jactorowska in Ccntraal Polen, omdat dit bos te intensief beweid en geŽxploiteerd werd. Pas in onze eeuw hebben de gebroeders Heck getracht om het oerrund in zijn oorspronkelijke vorm terug te fokken uit een groot aantal koeienrassen. Ze dachten hierin te kunnen slagen omdat immers elke koe rechtstreeks afstamt van het oerrund. De nakomelingen van deze heckrunderen, ingevoerd door Staatsbosbeheer, lopen nu al in een aantal Nederlandse natuurgebieden. Ook de laatste wilde paarden trachtte men te beschermen. De hertog van Pruisen, Albrecht von Hohenzollern (1490-1568), vaardigde daartoe verschillende verordeningen uit. In Rusland stierven de laatste konik (tarpan)s rond de jongste eeuwwisseling. De laatste wilde paarden in Polen werden echter omstreeks 1800 door graaf Zamoyski aan boeren gegeven omdat de toen noodzakelijke bijvoedering in de wildbaan te duur werd. Pas na honderd jaar als huisdier te zijn gehouden heeft men afstammelingen van deze dieren onder de naam 'konik (tarpan)' in min of meer zuivere vorm gefokt en opnieuw in het bos uitgezet.  

In 1980 kon ik een aantal dieren invoeren. Na twee jaar onderhandelen had ik de vrije keus en selecteerde ik topmateriaal. Enkele jaren initieerde ik een nieuwe handel in deze zeldzame dieren met Polen ten behoeve van de Ooipolders. Deze handel handel kon Staatsbosbeheer uiteindelijk zelf afhandelen en waarna de dieren in het Oostvaarderplassengebied werden uitgezet.

Momenteel 2001 lopen er al ca. 2500 konik (tarpan)s in de nedelandse natuurgebieden!

Door de jacht en het verdwijnen van hun voedselbronnen stierven natuurlijk ook de grote roofdieren. De lynx kwam in historische tijden niet meer in ons land voor. De bruine beer, een dier dat overigens bijna geheel vegetarisch kan leven en dat zelfs met grote smaak stekelige jonge takken van braamstruiken kan verorberen, verdween in de middeleeuwen en de laatste wolf werd pas in 1870 geschoten. De tegenwoordige situatie is niet meer natuurlijk. Er stierven ook voor de komst van de mens tal van dieren uit. Omdat nooit alle soorten tegelijk verdwenen werden de lege plaatsen steeds opgevuld door andere soorten, die zich opnieuw specialiseerden. Zo ontstonden bijvoorbeeld uit het oerhert tal van hertensoorten, uiteenlopend van ree tot edelhert. Op die manier ontstond telkens opnieuw een evenwicht tussen de hoeveelheid plantenetende dieren en de plantaardige productie van bossen. (Alleen waar het klimaat extreem koud of extreem vochtig was, bijvoorbeeld in het tropisch regenwoud, bleef de rol van de grote dieren ondergeschikt.) In historische tijden zijn echter ook de laatste grote dieren, groter dan haas of ree, uit alle natuurlijke bossen verdwenen. We weten niet precies hoe groot de invloed van deze plantenetende dieren op de samenstelling en structuur van bosvegetaties was. Wel wordt in het volgende hoofdstuk beschreven dat het geheel ontbreken van grote grazers waarschijnlijk een belangrijk gebrek is. 

 

Ook andere groepen organismen verdwenen in onbekende aantallen. 

Er zijn ook tal van andere organismen uit het bos verdwenen. Daarover bestaan echter nauwelijks historische documenten. Oerbossen waren spectaculair genoeg om door geschiedschrijvers als Tacitus te worden beschreven. Schimmels en kleine insecten en alles wat noch spectaculair was noch economisch waarde had werd niet beschreven. Ook het paleontologisch onderzoek, dat wil zeggen:het onderzoek naar het ontstaan, voorkomen en verdwijnen van planten- en diersoorten, heeft zich tot op heden maar op een beperkt aantal groepen organismen gericht. Het ontbreken van een goed overzicht van de geschiedenis van grote groepen planten en dieren wil niet zeggen dat hun  afwezigheid van minder betekenis zou zijn dan het ontbreken van wisenten of elanden in een Nederlands bos. We willen dit illustreren aan de hand van een paleontologisch onderzoek naar houtkevers. Voor het beheer van natuurbossen zouden we graag willen weten in welke mate allerlei ongewervelde houtetende dieren verdwenen of bedreigd zijn ten gevolge van het oogsten van boomstammen. (Dit geldt evengoed voor een aantal paddestoelsoorten.) In alle miljoenen jaren evolutie van bomen werd het dode hout opgenomen in de biologische kringloop van het bos. Tal van insecten en paddestoelen hebben zich gespecialiseerd op dit hout als voedselbron. Van de paddestoelen blijft na hun afsterven niets over, maar van kevers blijven de schildjes, net als de harde buitenkant van stuifmeelkorrels, goed bewaard. De veranderingen in de keverfauna heeft men in het recente onderzoek daardoor op verschillende plaatsen goed kunnen vaststellen. Een groot deel van de talloze kevers voedt zich met dood of kwijnend hout. Het effect van de toegenomen bosexploitatie is met behulp van fossiele vondsten van keverschildjes goed na te gaan. In Engeland verdwenen tegelijk met de teruggang van de iep en de linde een twintigtal keversoorten. Ook op het Europese vasteland zijn deze soorten nu verdwenen of zeldzaam. Het betreft vooral kevers die in hout of bast van dode bomen boren, maar ook soorten die andere houtetende kevers eten of hun  gangenstelsel als woning nodig hebben. Een bijzonder geval betreft een verdwenen soort die uitsluitend leefde in mierennesten in dode boomstronken. Met het verdwijnen van de natuurlijke sterfte van de bomen verdwenen deze mieren en bijgevolg de kever. Het is wel vrij zeker dat ook het vliegend hert ondanks de wettelijke bescherming nog niet zo lang geleden uit Klein vliegend hert A ons land verdween bij gebrek aan dode eiken. Er is geen reden om aan te nemen dat het boven beschrevene niet geldt voor al het andere wriemelende gedierte, voor paddestoelen en voor een aantal bosplanten. 

 

Wat we voor het natuurbosbeheer willen weten is: hoe heeft het landschap met oerbos er uitgezien en hoe functioneerde het? 

Wat we zouden willen weten voor de ontwikkeling en het beheer van natuurbossen is: hoe heeft het oerbos er precies uitgezien of liever nog, hoe zouden de bossen zich in Nederland bij het tegenwoordige klimaat nu ontwikkelen. We hebben in elk geval vastgesteld dat een blik in het verre verleden heel verhelderend is. Het bos blijkt niet zomaar een perceel aangeplante bomen. Het is een levensgemeenschap die wordt overheerst door bomen en grote zoogdieren, ontstaan tijdens miljoenen jaren ontwikkeling. Door deze evolutie veranderden niet alleen soorten maar ook de soortensamenstelling van boslevensgemeenschappen. Hoewel het loofbos na de ijstijden sterk verarmd aan planten- en diersoorten in onze streken terugkeerde, bleef het een goed functionerend ecosysteem, dat zichzelf duurzaam in stand kon houden. Dit houdt in dat de voedselketens goed functioneerden, dat de kringlopen van mineralen (plantenvoedende stoffen) in stand bleven. Zonlicht is de energie die de biologische kringloop in beweging houdt. De energie, vastgelegd in suikers en andere organische stoffen, rouleert in zogenaamde voedselketens, die beginnen bij de groene planten en eindigen bij bacteriŽn en schimmels. Met andere woorden:het zonlicht geeft de energie waarop de planten groeien. Van de planten leven dieren, paddestoelen en bacteriŽn en ook deze organismen ~'orden op hun beurt weer verteerd. Steeds wordt het grootste deel van de vastgelegde zonne-energie gebruikt om de lichaamsprocessen in stand te houden (en wordt daarbij omgezet in warmte). Omdat maar een klein deel, hooguit tien procent van de energie wordt vastgelegd bij de opbouw van het planten- of dierlichaam, hebben de voedselketens een beperkte lengte. Ze eindigen als het proces van eten en gegeten worden enkele malen is doorlopen; als nagenoeg alle door de groene planten vastgelegde (zonne-)energie als warmte uit het ecosysteem verdwenen is. De afbraak van de organische stof in de voedselketens zorgt ervoor dat de minerale bouwstoffen weer worden vrijgemaakt en talloze goed op elkaar afgestemde biologische processen zorgen ervoor dat het loofbos duurzaam intact blijft. Het is dus belangrijk dat elementen zoals fosfor, kaliurn, stikstof, magnesium en kalk bij het verrotten van organisch materiaal vrijkomen in een vorm waarin ze door de wortels van de groene planten kunnen worden opgenomen en gebruikt voor nieuwe groei. Slechts zelden is een bodem zo vruchtbaar dat grote verliezen langdurig uit de bodemmineralen aangevuld kunnen worden. Als deze mineralen bij de vertering van dode organismen, mest en humus zonder noemenswaardige verliezen opnieuw voor de groeiende planten ter beschikking komen, spreekt men van een gesloten kringloop. Deze kringloop is uiterst belangrijk. Immers, als er geen kringloop meer is raakt de bodemvruchtbaarheid snel uitgeput. Omdat de welige plantengroei van een bos niet, zoals een voedselarm hoogveen, voldoende heeft aan de mineralen die spaarzaam met het stof in regen en wind worden aangevoerd, zou het bos na enkele generaties bomen verdwijnen. Het bijzondere van een bos is dat alle bomen schimmelwortels of mycorrhiza bezitten: de boomwortels leven samen met schimmels en de bomen en schimmels functioneren bijna als een enkel organisme. De schimmels verteren a]het afval in het bos, zelfs al is dat niet erg energierijk meer. Daarbij leveren ze namelijk de mineralen aan de boom in ruil waarvoor ze energierijke suikers ontvangen. De bomen leven zelfs samen met verschillende soorten schimmels, die gezamenlijk een grote verscheidenheid aan organisch materiaal kunnen verteren. De samenleving is zo innig dat de schimmels en de bomen elkaars gedrag met hormonen beÔnvloeden. Belangrijk in de kringloop is natuurlijk de vertering van hout. Een bos wordt immers gekenmerkt door grote massa's hout en hout bevat nog veel plantenvoedende stoffen. Bij de vertering van het hout, maar ook van zachte plantedelen, spelen behalve de mycorrhizaschimmels nog een groot aantal andere zwammen, bacteriŽn en vele soorten insecten een rol. Als men hethout gedurende vele eeuwen uit het bos oogst blijkt ook de vertering van de overige organische stof te stagneren. In dergelijke bossen verzuurt de bodem. Het onverteerde organische materiaal stapelt zich in dikke viltige lagen ruwe humus op. Deze lagen worden in de loop der tijd vele tientallen centimeters dik en binden een grote hoeveelheid plantenvoedende stoffen, die daardoor onbereikbaar worden voor de b omen. In Duitsland noemt men dergelijke dikke humuslagen heel toepasselijk 'Trockentorf' oftewel turf die wonderlijk genoeg op het droge is ontstaan. Wormen en andere grote bodemdieren willen in dit zuurkoolachtige spul niet meer leven en de voor het plantenleven zo noodzakelijke voedingsmineralen worden in het dikke pakket dode humus in onopneembare vorm  opgestapeld. De uitlekkende humuszuren verzuren de bosgrond evengoed als de zure regen. Het ontstaan van de 'Trockcntorf' is bijvoorbeeld goed onderzocht in het Mantingerbos in Drenthe. Er is echter nog geen goede verklaring voor gevonden. Ook in de nieuwere bebossingen op de arme zandgronden ligt de nauwelijks verteerde humus al in dikke viltige lagen, die door het ontbreken van wormen en andere grote bodemdieren messcherp zijn gescheiden van de zandondergrond. Ook de grazende dieren kunnen een grote rol spelen in de biologische kringloop. Plaatselijk kunnen grote hoeveelheden twijgen, zachte plantedelen, grassen en kruiden worden geconsumeerd. In de maag en darm worden de plantedelen maar gedeeltelijk verteerd, maar de mest is gemakkelijk verder te verteren door gespecialiseerde mestkevers, bacteriŽn en schimmels. Het voordeel van de begrazing is dat de vertering en dus de recycling van cm mineralen erg snel gaat, waardoor overmatige humusvorming wordt voorkomen. Bovendien wordt de mest in +15 kleine hoopjes gedeponeerd en verstikt de jonge plantengroei niet, zoals bijvoorbeeld een dikke pruik oud gras op een onbegraasde open plek dat wel .zou doen. Nog steeds zouden zich zonder de allesoverheersende invloed van de mens spontaan bossen vormen. Bos is de beeldbepalende begroeiing in grote delen o van de wereld. Waar een teveel aan regen of sneeuw het de grote grazende zoogdieren moeilijk maakte zich in grote aantallen te handhaven, ontwikkelden zich zeer gesloten, eentonige bossen. Bij een gematigder klimaat zorgden de vele grazende dieren waarschijnlijk voor een veel opener en gevarieerder bosstructuur. Alleen daar waar de levensomstandigheden te moeilijk zijn verdwijnen bossen. Waar het zeer droog, ijzig koud of erg onvruchtbaar is treffen we toendra's, steppen of hoogvenen aan. Het is niet eenvoudig na te gaan hoe het Nederlandse natuurbos zich tot in deze tijd zonder ingrijpen van de mens zou hebben ontwikkeld. Na de ijstijden heeft de mens altijd een belangrijke rol gespeeld,het klimaat bleef voortdurend veranderen en de kustlijnen verschoven sterk met het rijzen en dalen van de zeespiegel. Vlak na de ijstijden en voor het rijzen van de zeespiegel lag ons land nog niet aan de Noordzeekust. Enkele duizenden jaren later bestond het land echter voor een aanmerkelijk deel uit vruchtbare zilte en brakke kustmoerassen. Sindsdien is de winterkou ook ver landinwaarts getemperd door de vochtige zeedampen. Nog steeds zouden de Nederlandse kusten en rivierdelta's bij een ongestoorde ontwikkeling beheerst worden door uitgestrekte getijdenbossen en brakke moerasbossen. De Hollandse delta zou door de vele overgangen - van droog naar nat, van zoet via brak naar zout, van schraal zand en veen naar vruchtbare klei - een ongelooflijk complex milieu vormen. Ondanks de grote verarming van de natuur zijn de kustgebieden nog steeds het rijkst aan soorten. Verzuurde bodem met een dikke laag onverteerde humus. Door gebrek aan dierlijke activiteit in de bodem wordt de humus niet vermengd met de minerale ondergrond, zodat er een scherpe scheiding is te zien.

 terug naar de inhoud of naar historische terugblik vervolg